Skip to content

Terug zestien

Op zolder bij mijn ouders vond ik mijn oude plank terug waarmee ik zomers lang in de zee speelde toen ik tiener was. Het was zo’n ‘cool’ model in flashy geel met een koord aan om rond je pols te hangen. Zo verloor ik hem nooit in de golven wanneer mijn timing verkeerd zat.

Wachten in de branding, kijkend naar de aanstormende golven. Na een tijdje zie je de golf al nog voor hij echt boven de oppervlakte komt, je ziet hem hoger worden en hoger tot op het punt dat de top de voet inhaalt en de golf breekt. De golf valt met volle kracht en je slaat jezelf door het schuim heen naar de volgende golf toe. Dieper wadend in de branding, op zoek naar het juiste plekje waar de golven net omvallen, om daar op je plank te gaan liggen wachten op de perfecte golf.

De eerste golf laat je voorbij rollen, want de tweede is beter. Het water voor de golf trekt je er dichter naartoe en het volgende moment lig je tussen het schuim, bovenop de rollende golf. Je snijdt door het water richting strand met een snelheid die de andere badgasten verbluft. Ze kijken verwonderd en bewonderend. Kinderen praten uitgelaten tegen hun mama terwijl ze naar je wijzen. Je voelt je terug zestien.

Uitgerold tot bijna op het strand, sta je recht en kijk je achter je, op zoek naar dat kleine meisje dat je aanmoedigde om de golf te nemen. Je schrikt van de afstand die je hebt afgelegd en van haar gebrek aan angst om daar alleen, tussen de golven die een kopje hoger waren dan haar, rond te drijven, lachend. Ze hangt aan haar boei en daarmee lukt het helemaal niet goed om mee te liften op een golf. Ze vindt het zo geweldig dat ze meteen haar boei wil wisselen voor de plank.

Het lukt haar een paar keer geweldig goed om lang mee te liften op een golfje, maar ze schat het omslagpunt nog niet perfect in en begint pas mee te liften met golfjes die reeds overgeslagen zijn. Ik leg mij in de boei en geniet van de golfjes, nog steeds alsof ik zestien was.

Golfslag

Het kleine zeil was opgezet en ze liep naar het water, over haar schouder kijkend en roepend naar mij. Spetterend stapte ze de branding in, tot het water tot aan haar borst kwam. Ik stond naast haar de luchtmatras op te blazen met alle lucht die in mijn longen zat. Waarom ik dat in het water stond te doen, vroeg ze. Omdat ik bij haar in de zee wilde staan natuurlijk, in de branding, zorgen dat ze boven water bleef.

Bovenop het water lag ze wat minder zelfzeker op de luchtmatras, op en neer gaand in de golven. Ze ging op zoek naar ondieper water, maar dus ook meteen met meer golven. Ik hielp haar de luchtmatras recht in de golven te houden zodat ze niet zou kapseizen. Een paar keer nam een golfje haar mee tot de bodem van de matras op het zand sleepte. Schelpen, die kunnen wel eens luchtmatrassen lek prikken, merkte ik op. Daardoor waagde ze zich meteen wat dieper in de zee, tot het punt waar de golven net wel of net niet overslaan. Een mooi moment om haar te leren inschatten waar en wanneer een golf dat omslagpunt bereikt. Het resultaat was dat ze een paar keer een golf over zich heen kreeg, maar dat deerde haar niet. Ze keek even op, veegde het zout en zand uit haar ogen en sprong terug de golven in.

Of je ook onder water kon kijken in de zee, zoals in het zwembad? Die vraag vroeg om een experiment. Ze haalde snel de duikbril boven en wist mij te vertellen dat alles groen was. Vraag opgelost, dacht ik, maar toen begon ze onder elke golf door te duiken. Soms wel zo diep dat ik haar even niet meer kon zien en toch wel ongerust werd. Met haar buik tot op het zand, wist ze mij te vertellen. En schuim, dat ook. De kracht van de golven, die voelde ze nog wel.

Zelfs toen de redders naar huis vertrokken, en wij de enigen waren die nog in de zee speelden, wilde ze niet mee naar huis. Redders, die vond ze wel interessant, maar waarom die naar huis gingen? Dat er een meisje bij was, dat had ze gezien. Wat deden redders eigenlijk? Naar de zee kijken? De hele tijd? Ze kon het zich moeilijk voorstellen. Dat ze je konden redden, en dat je best in de buurt van de redders in de zee blijft, dat snapte ze wel. Avond? Was het dan niet nog maar pas ochtend? En morgen komen we toch terug, het was eerder een vaststelling dan een vraag.

Het zeil, dat had er de hele tijd werkloos bijgestaan, enkel goed om de rugzak, de schepjes en onze sandalen onder te leggen.

Kiespijn

Ik wist wel al dat tandpijn erg kon zijn. Niet uit eigen ervaring, maar door wat mensen met die ervaring beweerden. Aan mijn andere wijsheidstand heb ik ook wel pijn gehad, maar dat stelde niets voor in vergelijking met de pijn van de voorbije dagen. Niet alleen de intensiteit was gigantisch, ze bleef ook continu gigantisch. De paracetamol die ik in huis had, hielp helemaal niks.

De nacht moeten doorspartelen terwijl je elke minuut aftelt, zo wanhopig raakt dat je tot twee keer toe twee gram paracetamol slikt en nog steeds even veel pijn houdt, is slopend. Ik begreep er ook helemaal niks van. De nacht van zondag op maandag was slapeloos, de maandag bleef de pijn gelijk om ’s avonds af te nemen zodat ik een goeie nacht had. Op dinsdag ging ik naar de tandarts en kreeg ik antibiotica voorgeschreven, dat paracetamol niet hielp, werd genegeerd. In de apotheek konden ze alleen nog meer paracetamol voorstellen… Maar op dat moment viel de pijn mee, dus hoopte ik op de werking van de antibiotica.

Helaas, dat was een eerste vergissing. ’s Avonds kwam de pijn nog heviger op en de hele nacht lag ik wakker. Draaien, rechtop gaan zitten, even door de gang wandelen, kijken op de klok. Proberen aan andere dingen te denken maar steeds weer uitkomen op pijn. Halfwakker hallucineren over vanalles en nog wat. ’s Ochtends had ik in totaal een uur geslapen, maar toch sleepte ik mij naar het werk. Dat was mijn tweede vergissing. Af en toe werd de pijn milder en kon ik zelfs een grapje maken. Maar daarna kwam ze weer in alle hevigheid opzetten totdat ik haast mijn hoofd tegen de muur wilde gooien. Een paar telefoontjes naar de tandarts later, gaf ik het op en moest ik inpakken en naar huis gaan. Ibuprofen, dat was een betere oplossing voor tandpijn.

En het hielp ook echt. Alleen moest ik zo vaak naar de Ibuprofen grijpen om pijnvrij te blijven, dat het te belastend werd voor mijn nieren. Dan maar een echte dokter raadplegen. Ik heb van alle pillen zwaardere versies gekregen, “tandartsen kennen niet veel van antibiotica en pijnstillers”, zo zei hij. Ik moet het hier nog volhouden tot achttien juli, wanneer de tand er hopelijk uit gaat. Zelfs daar kijk ik niet naar uit. Bij de vorige wijsheidstand was die stomatoloog zo hard aan het vloeken en zuchten en trekken en snijden in mijn mond dat ik eigenlijk stiekem hoopte er nooit terug heen te moeten.

Wegenwerken

Wat is dat toch de laatste tijd? Bijna overal waar de wegbeheerder kruispunten onder handen neemt, is achteraf niemand tevreden. Noch de automobilist, noch de fietser, noch de voetganger, noch de omwonenden. Is het werkelijk zo dat de aanpassingen tot een slechtere doorstroming leiden en waar gaat het dan precies mis?

Er wordt steevast gekozen voor verkeersveiligheid en dus om verschillende verkeersstromen uit elkaar te halen. Conflicten op het kruispunt vermijden, dat houdt in dat je meer situaties moet voorzien dan alleen maar rood en groen voor elke straat. Elke mogelijke combinatie van acties op het kruispunt leidt tot conflicten en conflictvrije situaties. Deze laatste kun je dan tegelijkertijd groen geven. Dit leidt tot een langere cyclus van de verkeerslichten, waardoor het uiteindelijk voor iedereen langer rood zal zijn.

Op zich hoeft het langer rood zijn helemaal geen probleem te zijn, want als je de verkeersstromen uit elkaar haalt, zijn er ook per keer minder auto’s die door dat groene licht moeten raken. Tenminste, wanneer je voorsorteerstroken hebt die lang genoeg zijn, zodat iedereen netjes kan aansluiten. Laat dat net één van de problemen zijn: de bestaande infrastructuur kan vaak alleen vlak rond het kruispunt worden aangepast en de stroken worden dus erg kort. Ook wanneer de verkeersstromen in één richting veel drukker zijn dan in de andere richtingen, vergt zoiets een nauwkeuriger afstelling van de verkeerslichten om hiermee rekening te houden.

Dat de files op piekmomenten toenemen, lijkt correct te zijn. De redenen hiervoor heb ik net opgesomd. Met de afstelling van de verkeerslichten kan dit deels opgelost worden. Wanneer je echter invalswegen hebt die recht het stadscentrum in leiden, en waar al jaren files staan vanaf de periferie tot in het centrum, dan zal dat afstellen van de lichten op één kruispunt weinig uithalen. Die auto’s moeten zoveel mogelijk elders heen en niet naar dat centrum toe.

Een punt waar ik nog aan moet beginnen zijn de zwakke weggebruikers. Vermits de beschikbare tijd in de cyclus van de verkeerslichten kleiner wordt, zullen zij in eerste instantie minder tijd krijgen om over te steken. En bovendien langer moeten wachten tot ze weer conflictvrij kunnen oversteken. In zo’n geval zijn alleen niet-gelijkgrondse kruisingen een oplossing. Ook hier weer is dit in de praktijk een dure en niet altijd haalbare oplossing. Wanneer we echter zwaar verkeer blijven tolereren in onze stadsomgeving, dan is het de enige oplossing.

Bovenstaande is mijn analyse, gebaseerd op logica. Ik ben helaas geen expert die tijd of middelen heeft om verkeersstromen te meten voor, tijdens en na wegenwerken. Mocht ik hier volledig de mist in gaan, aarzel dan niet om uit te leggen waar en waarom.

Voorbij de grens

Ik had het al heel lang erg graag een keer gedaan, maar het ontbrak mij aan tijd en motivatie om het echt eens te forceren. Tot vorige zaterdag. Ik had geen excuus meer om het niet te doen, mijn motivatie was sterker dan ooit tevoren en het weer viel ook nog eens erg goed mee. Ik begon dus goed voorbereid en van drank voorzien aan mijn allereerste halve marathon ooit.

Het plan zat goed in mijn hoofd, de route had ik niet vooraf uitgetekend. Dank zij al mijn vorige looproutes wist ik wel vrij goed waar op de route ik aan welke afstand zou zitten. Alleen het einde zou wat spannend worden, met waarschijnlijk een kilometer die ik ergens zou moeten verzamelen met wat blokjes om. Daarom hield ik al van bij het begin tot kilometer 2 bij waar ik mij bevond, zodat in geval van nood een extra kilometer in het bosje kon worden gezocht. Tot aan kilometer 10 liep dat allemaal perfect. Daarna merkte ik al gauw dat ik op twintig kilometer zou stranden. 

Op het einde van de route nog een aangepaste lus moeten uitdokteren met twee extra kilometers leek me geen goed plan, zo op enkele honderden meters van thuis. Het plan was om alle kilometers boven de zestien via de snelst mogelijke route naar huis te lopen. Tussen kilometer dertien en zestien heb ik dus wat door Bredene geslingerd, om uiteindelijk op tweehonderd meter na exact op afstand te starten aan de laatste vijf kilomter.

Helaas kon ik weinig veranderen aan de timing van de training en had ik het tij tegen zodat de afstand tussen kilometers vijf en tien niet op het strand konden worden afgelegd, maar op de dijk en door de duinen op een harde ondergrond. Het kon ook lelijk tegenvallen met de warmte van de voorbije dagen, maar de temperatuur was gelukkig wat gezakt en vanaf kilometer elf zorgde een lichte miezerige regen voor aangename afkoeling. Op een kilometer voor het einde was mijn flesje van een halve liter op. 

Kortom, een halve marathon, eenentwintig kilomter en tweehonderdvijftig meter in één uur en negenenvijftig minuten negentien seconden, met een gemiddelde hartslag van 148 en een goed gevoel in de benen. Geslaagde poging en de zin naar meer van hetzelfde is er.

Ten Miles

Ik ben geen ochtendmens. Echt niet. Ik ben de koning onder de lange slapers. Dat is al zo sinds mijn oudste herinnering. Alleen als ik een plan heb, een doel, dan kan ik perfect vroeg opstaan. ’s Avonds gaan slapen, een uur programmeren in mijn hoofd en wakker worden op dat uur. Wakker worden en meteen opstaan, kleren aan en de deur uit. Vanmorgen was ook zo’n ochtend. Wakker worden, opstaan en vertrekken. Enfin, het verliep een klein beetje anders, vermits kleine Patrijs nog vroeger wakker was. Het ging dus een beetje zoals volgt. 

Ik draai mij om en hoor een paar kleine voetjes onze richting uit komen. Een sprong, wat geduw en getrek aan de lakens en daar ligt ze, tussen ons in. Na wat draaien en keren beginnen haar voetjes de ene kant en haar hoofd de andere kant op te duwen. Veel langer houdt ze het niet vol, weet ik al. “Ik heb honger!” zegt ze. Ik kijk snel even op mijn uurwerk dat 7u45 aangeeft. Een aanvaardbaar uur om op te staan, haar van het nodige eten te voorzien en te hopen dat ze televisie blijft kijken zonder terug naar boven te lopen. Voor de zekerheid zet ik nog een fles water naast haar in de zetel. Anders gaat ze binnen de vijf minuten roepen naar haar mama: “MAMAAAA IK HEB DOOOORST!”. Eens ze volledig voorzien is van alles, trek ik mijn loopschoenen aan en vertrek ik.

Het is al warm, ik bedenk me al na een halve kilometer dat ik beter water had meegenomen. Mijn eerste deel van de route loopt gelukkig door het bos, waar ik al meteen vier kilometer afleg. Daarna zoek ik een aantal kilometer langs de kaaien, de strekdam en de zeedijk. Het is hoogtij en de zee is zo vlak als een biljarttafel, het lijkt alsof ik niet in Oostende, maar aan de Spaanse costas ben. Na tien kilometer sta ik terug in het bos en dat is maar goed ook. Dorst, iets waar ik normaal nooit last van heb, voel ik nu wel. Het is na negen uur en al behoorlijk warm. Ik twijfel nog steeds op hoeveel kilometer ik wil afklokken en ik loop kleinere lussen door het bos tot duidelijk wordt dat alles minder dan zestien kilometer zonde zou zijn.

Thuisgekomen blijkt zelfs dat ik die zestien kilometer in 1:27:05 gelopen heb, een nieuw persoonlijk record. Met een gemiddelde hartslag van 147 en de nodige twijfel tijdens het lopen over de totale afstand die ik wou halen, valt dat dus erg goed mee. Dat ik achteraf een half uur moet wachten om mij te kunnen douchen neem ik er graag bij. Eerder douchen, dat heeft geen zin want dan raak ik nooit afgedroogd door al het zweet dat blijft lopen. Klaar voor nog eens tien kilometer morgen.                                                                              

Rust

Even in de tuin gaan zitten met de tablet. 

“Papaaa ‘k heb honger”, klinkt het al meteen.

De neiging voelen om een stukje te schrijven op deze blog, in de achtergrond zachtjes de radio horen spelen via bluetooth. “BLIEP – BEEP – TRIILLLLIIIILLLL”, schreeuwt haar tablet terwijl ze één of ander spelletje aan het spelen is.

Diepe zucht.

Dan heb je eerst al een groot zwembad opgezet in de tuin, volledig gevuld met water, de glijbaan erin gezet zodat ze zou kunnen spelen als de beste. Allemaal zinloos. “Papaa, kom je mee spelen?” – en wanneer je dat niet doet, komt ze gewoon naast je zitten spelletjes spelen op de tablet. “Mag ik op jouw tablet? Die ziet er veel leuker uit hoor!”.

Ondertussen ligt het zwembad er ongebruikt, maar wel vol speelgoed gegooid, bij. De hoop om het langer dan een week te laten staan is ook meteen vervlogen, want het ligt vol gras en vieze speeltjes die ze ergens in een hoekje achterin het tuinhuis heeft teruggevonden. 

En dan besluit je om toch maar eens aan dat mailtje te beginnen dat je dringend nog moet schrijven. Want van veel rusten zal er geen sprake zijn, de rest van de dag.