Spring naar inhoud

Race tegen het getij

Het was niet meer zo vroeg in de ochtend, maar het was winter en bewolkt en dus nog vrij donker in huis. Na een paar pogingen om uit bed te raken, sloop ik in alle stilte naar de kast met mijn loopspullen. Op de tast, want de rolluiken waren nog dicht, verzamelde ik alles en stapte ik voorzichtig richting badkamer. Bij elke stap luisterde ik naar het geluid dat ze voortbracht en wachtte ik op andere geluiden, een hoest, een scheet, ‘PAPA!’, of niets. Wanneer mijn stap gekraak deed weerklinken, gingen de haren op mijn armen rechtstaan. Dit had zeker iemand in huis wakker gemaakt?

Maar er werd niemand wakker. Het lange opblijven in de vakantie had voor voldoende vermoeidheid gezorgd. Zelfs het kraken van de houten trap op weg naar beneden wekte niemand. Ik besloot het lot niet uit te dagen toen bleek dat ik boven iets vergeten was en ging op pad zonder mijn muts. Drinken had ik gelukkig wel bij, al was het in de drinkbus van op de fiets. Het deksel van mijn normale drinkbus was spoorloos. Een halve marathon, dat was het minimale doel vanmorgen. De windrichting zou de route voor mij bepalen, want er veel zin in tegenwind op het strand had ik niet.

De wind bleek pal uit zee te komen. Elke route kwam in aanmerking. In mijn hoofd zette ik de eerste kilometers uit terwijl ik merkte dat de drinkbus een klein beetje lek was aan het deksel. Als dat maar zou meevallen, over zo’n afstand, dacht ik. De benen waren nog wat stroef, het tempo zat echter meteen al goed.

De vlaggen aan het Kennedyrondpunt deden mij geloven dat ik het beste richting Halve Maan en dan verder op het strand tot Post 6 kon lopen, maar eenmaal door de tunnel onder de spoorweg kreeg ik de kleine windmolen in de haven in de gaten. Deze gaf duidelijk aan dat ik zo de hele weg de wind schuin op kop zou hebben. Gelukkig zijn routes flexibel en kon ik richting Spuikom draaien, dezelfde route maar dan tegenwijzerzin. Het enige nadeel aan de richting was het getij. Het was hoogwater kort na de middag en nu zou ik pas na een uur of zo op het strand komen, terwijl ik normaal binnen een uur net van het strand af zou gaan. Zorgen voor straks, alternatieven zat.

Twintig minuten was ik al bezig toen ik rond de Spuikom liep. Ging ik voor een halve marathon? Of gewoon een uur heen lopen en daarna ongeveer een uur terug? Tot Post 6 lag de route min of meer vast, maar daarna kon ik verder richting De Vosseslag via verschillende wegen. Nog veertig minuten doorlopen, hield ik mezelf voor, en dan zien we wel waar we op dat moment uitkomen. De wind was goed voelbaar op het moment dat ik evenwijdig aan het strand liep. Gelukkig liep het grootste stuk van de route hier tussen de huizen door en bleef mijn tempo vrij hoog.

Ik liep dwars over het parcours van de cyclocross waar ik vorige week op een afsluiting en noodgedwongen omleiding naar de Zandstraat was gebotst. Enkele mountainbikers volgden de nog altijd goed zichtbare sporen van het parcours in het gras. Het getij speelde nog steeds door mijn hoofd, ik had zin om zoveel mogelijk kilometers op het zand te doen. De belasting voor mijn voeten was minder zwaar dan op asfalt of tegels. Bijna bij Post 6 rekende ik uit dat ik niet aan de halve marathon zou raken wanneer ik nu zou terugkeren. Ik had ook nog geen uur gelopen. Een paar kilometer meer dan een halve marathon vond ik niet erg, dus ging het richting De Vosseslag.

Bij De Vosseslag had ik nog maar vijfenvijftig minuten gelopen. Het ging zo vlot tot hier toe dat ik in een fractie van een seconde besliste om verder te lopen naar De Haan. Het jaar beginnen met een persoonlijk record qua afstand, dat was een goed idee. Bovendien liep de route door het bos over een onverhard pad. Goed voor mijn voeten dus. Hier en daar werd een hondje aan de leiband gelegd door een wandelaar, het bos vloog voorbij. Mijn vorige record was zesentwintig kilometer, nu moest ik daar wel over gaan. Niet veel, maar toch meer. Vooral de laatste kilometers route zouden dat uitmaken. Hier, op het verste punt, kon ik weinig anders dan naar het strand lopen en hopen dat het water nog niet te hoog stond.

De lopers die ik kruiste waren vast niet op zo’n lange training als ikzelf, bedacht ik. Ik wou het wel een klein beetje uitschreeuwen: ‘ik ben vertrokken in Oostende hoor, ik ben nog maar halfweg’. Een soort euforisch gevoel, het gevolg van de vrijgekomen endorfines, maakte zich van mij meester. Een paar foto’s op de zeedijk van De Haan om dat gevoel nog te versterken en de terugtocht was aangevat. Hoewel het getij opkwam stond er nog water in de kellen die achtergebleven waren bij het terugtrekkende tij. Ik kon dus niet bij de branding lopen, maar moest een heel stuk dichter bij de duinen en het losse zand. De skyline van Oostende was nu het doel en de weg erheen liep rechtdoor over het strand.

Het is verbazend hoeveel langer een kilometer lijkt te zijn op een rechte lijn ten opzichte van de gebruikelijke kronkelingen op paadjes en wegen. Oostende leek makkelijk meer dan tien kilometer ver, terwijl ik berekende dat het er slechts acht konden zijn. Ik zou maar met moeite over de zesentwintig kilometer heen raken op deze manier. Reden te meer om mijn andere persoonlijke record, snelste halve marathon, meer aandacht te geven en het tempo vol te houden. Het harde zand en de wind die zijdelings blies hielpen hier wat mee. Vanaf Post 6 lagen er terug golfbrekers die mijn tempo elke vierhonderd meter even vertraagden. Zonder dat het mij echt opviel was ook het opkomende tij in mijn nadeel aan het spelen. Het water dreef mij dichter naar de duinen, waardoor mijn tempo dreigde te verzanden. Het waren geen kellen meer waar ik langs liep, het was plots de branding geworden. Regelmatig spoelde een golf over het eerst nog droge zand voor mijn neus. Het was bijna middag.

Het tempo volhouden was één zaak, ik wou ook zo lang mogelijk in het zand blijven lopen. Of toch minstens tot kilometer eenentwintig. Bij Strandpost 1 werd het helemaal lastig en begon ik centimeters weg te zakken bij elke stap. Twee golfbrekers lang hield ik dat nog vol, maar op kilometer twintig en nog wat moest ik mijn meerdere erkennen in het getij en over de golfbreker afdruipen naar de dijk. De halve marathon was binnen, maar of ik het in een nieuw persoonlijk record had gedaan was afwachten. Het was kantje-boordje. Andere focus dan maar, de afstand. Minstens zevenentwintig kilometer, dus had ik elke meter nodig tussen hier en thuis. Een kleine omweg kon wel, maar ik had geen zin in rondjes draaien. De strekdam aflopen zag ik ook even niet zitten, gelet op de strakke zeewind. Rekenen had nog weinig zin want in mijn hoofd lag de route vast. Genieten van de wind in de rug door de haven en het tempo onderhouden dan maar, dacht ik.

Naar mate de eindstreep in zicht kwam en de kilometers opliepen zag ik dat het doel binnen handbereik lag. Met nog voldoende drinken op overschot kwam ik aan. Tijd voor ontbijt, of was het al lunch?

Advertenties

Winter is coming

Er was eens een grote boze wolf, of gewoon Wolf, zoals hij zichzelf noemde. Wolf zwierf door het grote sprookjesbos op zoek naar een lekker hapje voor zijn zes welpjes. Hun hongerige maagjes dreven hem de hele dag op pad op zoek naar eten. Hij kende het bos op zijn klein duimpje en liep dus nooit verloren. Hij wist waar hij de lekkerste ratten kon vangen, waar de hazen op pad gingen en weer terug naar zijn welpjes.

Op een dag was hij aan het rondneuzen in de buurt van het enige huisje dat midden in het bos stond. Het huisje van Grootmoeder, zo noemden de weinige mensen die er op bezoek gingen haar. Wolf liep er altijd in een grote boog omheen, want wanneer Grootmoeder hem zag, dan krijste ze zo luid dat het door merg en been ging. Wolf rilde bij de gedachte alleen al. De schreeuw had het effect van een stok die te ver in je oor werd geduwd. Hij was even afgeleid door de gedachte en stapte met zijn poot recht in een val.

AUW! Wolf schreeuwde het uit van de pijn. Hij zat vast met zijn poot. Hij kon geen kant meer op. Wie had hier een valstrik neergezet? Dat kon alleen maar Grootmoeder zijn, want andere mensen kwamen nooit zo diep in het bos. Wolf dacht aan zijn zes welpjes, wat zouden die een hoger lijden! Hij trok uit alle macht aan de val, maar raakte alleen maar meer klem. Hij huilde, maar bedacht dat Grootmoeder misschien wel op dat lawaai zou afkomen.

Wolf was niet alleen heel sterk, maar ook heel slim. Tussen de bladeren op de grond vond hij een sterke stok en gebruikte die om de val open te maken. Met wat trekken en duwen met de stok in zijn muil kreeg hij de valstrik beetje bij beetje open. Hij was vrij! Zijn poot deed nog verschrikkelijk veel pijn, maar hij kon weg strompelen. Jagen zat er vandaag niet meer in. Het gehuil van zijn welpjes zou hij de rest van de dag en nacht moeten verdragen.

Enkele dagen later kwam Wolf een klein rood meisje met een kapje tegen. Ze huppelde door het grote sprookjesbos, op weg naar haar grootmoeder. Wolf had nog een eitje te pellen met Grootmoeder en zo ontstond het sprookje over Roodkapje.

Ultima Thule

Afstanden die niet te bevatten zijn. 6,5 miljard kilometer. Een droom om op een dag een aandrijving uit te vinden die die afstanden overbrugbaar maakt in een tijdspanne van minder dan enkele jaren. Het besef dat dat lastig wordt, dat onze hulpbronnen geen honderden jaren meer zullen meegaan. Het is echt nu of nooit. We veroveren de ruimte of we vallen terug in de modder.

Er is geen tussenweg, we hebben de ruimte nodig om nieuwe bronnen aan te boren. Lukt dat niet, dan is het onvermijdelijk over en uit voor ons. Niet vandaag of morgen, maar uiteindelijk wel. Ultima Thule is weer een stap dichter bij de verovering van de ruimte, de mogelijkheden van onze ruimtetuigen.

De kometenvangers uit de sciencefiction, die hebben we nodig om grondstoffen naar hier te halen.

Twintig negentien

Alweer een keer volledig om de zon gedraaid in onze baan. Rond de zon die zelf op een veel langere baan om het zwarte gat ergens in het centrum van onze Melkweg te draaien. Een onbelangrijk feitje dat haast geen aandacht verdient in het heelal, tenzij je op die derde planeet vanaf die zon zit.

Dan heb je er zelfs een naam voor: 2019. Een nieuw jaar, de duur van één volledige omwenteling. Een slordige 940 miljoen kilometer in iets meer dan 365 dagen. Een gemiddelde snelheid van 29,783 kilometer per seconde, of om het in ‘begrijpelijker’ eenheden uit te drukken: 107.218,8 kilometer per uur. Een zware voet dus.

Wanneer je op die planeet staat, leg je nog meer kilometers af in één jaar tijd. De planeet draait immers elke dag om haar eigen as. Elke dag ongeveer 40.000 kilometer plus 2.573.251,2 kilometer, dus 2.613.326,2 kilometer in totaal, ten opzichte van de zon. Terwijl je de hele dag op je luie kont kunt zitten dus. En dan vergeten we gemakshalve nog even dat de zon met een slordige 220 kilometer per seconde of 792.000 kilometer per uur rond het centrum van de Melkweg zoeft. Mijn hoofd tolt van die getallen, ongrijpbare snelheden en afstanden.

Zelf bewegen op deze planeet stelt ons mee uitdagingen en dus wil ik in 2019 minstens opnieuw 1.500 kilometer hardlopen. Een nietige fractie van de totale afstand die ik in dit jaar werkelijk zal hebben afgelegd. Bewegen wordt een nog grotere focus dan de voorbije jaren. En beter plannen, organiseren en meer dingen gedaan krijgen. Dat lijkt mij al een hele klus. Mocht ik nu ook nog op tijd in slaap kunnen vallen, dan zou vroeg opstaan enorm helpen om alles te realiseren. Gelukkig nieuwjaar, beste lezer.

(Uw kapoen, Oostende, 1 januari 2019)

Zomer

Het wordt weer eens tijd om hier meer gedachten neer te pennen. Laat dit een notitie, een bladwijzer zijn die mij hieraan herinnert. Ik heb onderwerpen en ideetjes genoeg in mijn hoofd, het is alleen maar kwestie om ze te structureren.

Frustratie

Ik ben een fervent carpooler, maar alles komt met een prijs. De prijs voor het carpoolen is, naast het feit dat je met drie anderen elke dag een uur samen in de auto zit, ook het feit dat er altijd wel eentje is die steeds te laat komt. Zowel ’s ochtends bij het doorgaan, “Oh fuck!”, tot ’s avonds bij het naar huis rijden, “ik ben nog even bezig”. Een beetje retard heb je in elk carpoolgroepje. Pogingen om hen samen in een groep te zetten en het zonder hen te redden blijken niet haalbaar wegens de ver uiteen liggende woonplaatsen.

Ik ben zelf het type dat ’s ochtends liever tien minuten te vroeg komt, maar ’s avonds wel graag op tijd vertrekt. Dat heeft in de eerste plaats te maken met de pure praktische noodzaak om thuis te zijn vooraleer mijn vrouw moet vertrekken om te gaan werken, iets wat de retard van de groep niet lijkt te begrijpen. Ik zie een zesjarige nog niet zomaar een half uur alleen thuis zitten, wachtend op mij. Dat niet iedereen staat te springen om naar huis te gaan, dat begrijp ik wel. Als je carpoolt, getuigt het echter van respect om toch een beetje op tijd te komen. Niet alleen tegenover je medereizigers, maar ook tegenover je werkgever, toch?

Enfin, ik probeer mij verder in te houden, maar ik ga toch vaker eens alleen rijden.

Twitteradvies

Het overkomt iedereen wel eens, je wil een uitstapje plannen maar je hebt geen idee waarheen. Dus je besluit om, na het internet te hebben afgesurft, toch maar eens de vraag te lanceren op Twitter. Je hoopt op goeie tips, leuke reacties, nuttige informatie. En dat is ook wat je krijgt, in eerste instantie toch. Maar zodra er een aantal reacties op je tweet gekomen zijn, wordt hij door het Twitter algoritme ook in andere mensen hun tijdlijn gesmeten en vervolgens krijg je trollen, flauwe plezante en politiek geïnspireerde Twitteraars die komen reageren, met elk hun eigen agenda.

Vraag je zoals ik dat deed een goeie tip voor een eetgelegenheid in centrum Gent, dan krijg je al snel de verzuurde Twitteraar achter je aan met commentaren in die zin dat je beter Gent mijdt, want dat je er niet in raakt met de auto, dat parkeren er een fortuin kost. De Twitteraar die hoopt op de self fulfilling prophecy dat het Gentse mobiliteitsplan de horeca dood doet. Blijkbaar gaat die Twitteraar er vanuit dat je het centrum inrijdt, naast een restaurantje of bistro parkeert, eet, en ophoepelt. Dat een stadsbezoek mogelijkerwijs buiten het centrum kan starten met een korte tramrit tot in hartje centrum, gaat er bij hen niet in.

Mobiliteitsplan of niet, ik probeer altijd aan de rand van een stad te parkeren. Ik heb er het geduld en de diesel niet voor over om mij ergens vast te rijden in een web van straten die ik niet ken. Als je dan een tramlijn hebt die start bij een parking op een steenworp van de snelweg, die je zonder overstappen recht in het centrum afzet, dan is dat de evidentie zelf. Niet vanaf 2017, maar al sinds 1998, het jaar dat ik mijn rijbewijs gehaald heb.

Let op, ik ben de vele Twitteraars met nuttige tips erg dankbaar. Ik weet nu waar we deze keer gaan eten, en ik heb nog talloze tips over voor een volgende gelegenheid. Maar de noodzakelijkheid van die verzuurde reacties van mensen op vier wielen stoort mij. Daar op dat moment tegenin gaan levert weinig op. Ze hebben een paardenbril op en zien alleen wat ze willen zien. Een ‘discussie’ blijkt alleen maar uit te lopen op het heen en weer tweeten van slogans. Argumenteren hoort er niet meer bij. Leefbaarheid van een stadscentrum wordt in karikatuur getrokken tot een anti horeca beleid. Mensen op vier wielen nemen de auto naar de bakker, naar de slager, naar het café. Ze trekken zich geen kloten aan van hun impact op onze planeet en vinden dat niemand hen mag verbieden om te rijden en parkeren waar zij dat willen. Het zijn conservatieve, zure mensen.

Ik ga er op Twitter niet te diep op in, als ze mijn korte initiële reactie niet lijken te snappen is dat jammer voor hen, maar het uitblijven van verdere reactie van mijn kant, zet ze hopelijk aan het denken. Al betwijfel ik dat. Mensen doen dat niet graag, zelf nadenken. Mensen doen graag na, praten graag na en denken zelden zelf na. Mensen zijn bang voor verandering en schieten anderen met nieuwe, afwijkende visies in eerste instantie altijd af. Kijk naar de ontwikkeling van de wetenschap en hoe nieuwe inzichten pas na jaren, decennia algemeen worden aanvaard. Mochten we in onze conservatieve visie blijven steken, de Aarde was nog steeds plat en we gingen elke zondag braaf naar de kerk.

Om toch op een vrolijke noot te eindigen: ja ik ga naar Gent! Ja, ik ga eten in het centrum van Gent! We hebben onze zinnen gezet op Balls & Glory voor de lunch en daarna gaan we gezellig winkelen. In het centrum! Parkeren doe ik zoals altijd bij Ikea en van daar neem ik de tram. Op de tram observeer ik de andere reizigers, de studenten, de oude mevrouwen, de eigenaars van hondjes van allerlei slag, de bewoners van Gent. Ook dat is deel van de uitstap. Misschien pen ik hier nog wel een kort verslagje van mijn uitstap neer, begin volgende week. Tot dan!